|
Met het verdwijnen van de echte cowboys en een groot deel van de oorspronkelijke bevolking, kwamen rond 1900 de eerste antropologen met een verklaring over de Amerikaanse indianen en hun oorsprong. Aanvankelijk was men niet bijster geïnteresseerd in de historie van de indianen en men ging er vanuit dat het volkje slechts een paar duizend jaar geleden hun intrede op het continent hadden gedaan. Ze werden gezien als technologisch achtergebleven en als nomadisch levende voedselverzamelaars. Maar toen in 1927 in de Amerikaanse stad Folson (New Mexico) een vondst werd gedaan van een stenen pijlpunt die tussen de ribben van een bizon zat geklemd veranderde dat beeld.
De bizon behoorde tot een soort dat al was uitgestorven sinds de laatste ijstijd minimaal 10.000 jaar geleden. Later vond men nabij Clovis (NM) in een grindput botten van mammoeten, gebroederlijk liggend naast stenen pijlpunten. Het beeld van primitieve voedselverzamelaar verschoof naar kundige groot-wildjagers. De theorie werd bijgesteld.
Men ging er vanuit dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika uit Oost-Azië kwamen. Zo’n 11.500 a 12.500 jaar geleden trokken deze mensen via de Bering-landbrug, die toen het Russische Siberië en de Amerikaanse staat Alaska met elkaar verbond, de Nieuwe Wereld binnen tot in het zuidelijkste puntje van Argentinië. Deze theorie werd in de jaren daarna uitgewerkt om, uiteindelijk tot diep in 1960, als ‘feit’ algemeen geaccepteerd te raken. Maar na 1960 kwamen er steeds meer scheurtjes in de ‘feiten’ dankzij nieuwe ontdekkingen.
Koper... |
 |
| ... in pure vorm. |
Van oorsprong Noord-Amerikaanse volkeren hebben zich in het verleden nooit echt bezig gehouden met mijnbouw. Toch is er een mysterieus volkje geweest dat zich intensief en op professionele wijze had toegelegd op het ontginnen van koper.
Het koper uit het Noord Amerikaanse Upper Peninsula werd gedolven in de periode van 5.000 tot 1.200 jaar v. Chr. door een oude en verdwenen cultuur. Deze mysterieuze beschaving liet geen sporen na in de vorm van tombes, graven, aardewerk, kleitabletten of grottekeningen. Wat ze wel achterlieten waren meer dan 5000 koper producerende mijnen en even zo vele zogenaamde ‘hamerstenen’. Deze werden gebruikt om het kopererts van de overige stenen te scheiden. De grootste mijn bevond zich op Isle Royale, een eiland in Lake Superior vlakbij de Canadese grens. Wetenschappers hebben ooit eens aan de hand van de mijnbouwsporen in die regio berekend dat er daar door meer dan 10.000 man meer dan 1.000 jaar lang moet zijn gewerkt. In totaal zou het onbekende volk, volgens een voorzichtige schatting, vijfhonderdduizend ton (!) koper hebben gedolven. Kleine delen van het in deze regio gedolven koper heeft men terug gevonden verspreid over Zuid- en Noord-Amerika. De rest is vermoedelijk verscheept.
In 1922 ontdekte W.A. Ferguson een middelgrote haven uit de tijd van de koperdelvers aan de noordkust van Isle Royale. Men kon er aanmeren aan een 500 meter lange steiger. Deze vondst versterkt het idee dat men met grote schepen het koper verscheepte en dat mysterieuze volk dus vertrouwd was met de zeevaart. (1)
Volgens archeoloog O. DuTemple leek het erop dat de arbeiders plotsklaps, van de ene op de andere dag waren vertrokken. Gereedschap en materiaal waren gewoon achtergelaten alsof men verwachtte de volgende dag weer terug te komen. Hun werkwijze was efficiënt en de mijnen waren zo ingericht dat men in rap tempo grote hoeveelheden erts naar boven kon halen. Ze maakten grote vuren op langs de koperaders en als die dan goed verhit waren goot men er water overheen. Door de snelle afkoeling braken de rotsen en vervolgens klopte men met de stenen hamers het koper uit de rots. Per mijn bracht deze werkwijze netto ongeveer 50.000 kilo koper op en moest er een veelvoud aan materiaal verzet worden. Buiten kopermijnen heeft men in het gebied overigens ook enkele tinmijnen aangetroffen (2).
Als de lokale indianen stammen geen mijnbouw bedreven wie dan wel?
De Menomonie indianen uit het noorden van Wisconsin hebben een prachtige legende die verhaalt over de oude koperdelvers. In de legende worden de mijnwerkers beschreven als ‘lichthuidige mensen’ die de koperaderen vonden door magische stenen op de grond te werpen, waardoor de aderen die koper bevatten als klokken begonnen te rinkelen.
En dan hebben we nog de missionaris Allouez die omstreeks 1660 door het koperwin gebied trok. Hij vond een ongeveer 30 centimeter groot koperen beeldje. Het beeldde een bebaarde man af waardoor het onwaarschijnlijk is dat het om een autochtoon gaat. Immers, indianen kennen geen baardbroei.
Voor zover we weten is er eigenlijk maar één volkje in die periode aan te wijzen die megaprojecten zoals de kopermijnen van Noord Amerika tot een succesvol einde zouden kunnen brengen. Het zal ook geen verbazing wekken dat men meent dat dit volkje tevens over gedegen nautische vaardigheden beschikte (4).
Stonehenge... |
 |
| ... gezien met Google Earth. Op deze pagina vindt u het kmz-bestand om zelf te kijken. |
We hebben het over de Europese megalietenbouwers, U weet wel, de vermoedelijke makers achter megalithische bouwwerken zoals Stonehenge.
Deze megalietenbouwers hebben hun werken allemaal opgericht gedurende een periode van minimaal 7.000 tot 3.500 jaar v.Chr. en je kan ze overal langs de Europese kuststreken vinden. Van Noord Afrika via Portugal langs Frankrijk (Carnac) over Engeland en Nederland (Hunebedden) omhoog naar Scandinavië. Soms gaat om een enkele Menhir, zo’n steen waar stripfiguur Obelix mee rond placht te zeulen, tot complete tempels zoals op Scara Brae en in Newgrange in Ierland. Om enig idee van hun bouwdrift te krijgen: alleen al in Groot Brittannië zijn er meer dan 40.000 geregistreerde megalithische bouwwerken.
Ook het tijdframe komt aardig overeen, de stijgende vraag naar koper in Europa (vanaf ongeveer 8.000 v. Chr.), de hoogtijdagen van de cultuur van de megalietenbouwers en het mijnen in Noord Amerika. Een andere aanwijzing is gevonden in het feit dat de mysterieuze koperdelvers ook de typische monoliethen hadden opgericht rondom de plekken waar de mijnbouw plaats vond.
Ik denk dat we met een gerust hart mogen aannemen dat 5.000 v.Chr. de megalietenbouwers een zeeroute hadden geopend van het Europese continent naar het noorden van Amerika. En gezien de hoeveelheden gedolven koper werd die route nog druk bevaren ook.
Blijft de vraag hoe wisten die megalietenbouwers waar Amerika lag en wisten ze telkens keurig de haven van Isle Royal te vinden? Beschikten zij soms over de oude zeekaarten die we in het eerste deel bespraken? Buiten speculaties is er geen zinnig antwoord te geven. We laten de mijndelvers voor wat het waren en gaan op zoek naar andere sporen die de Europeanen lang voor Columbus hebben achter gelaten.
In 1997 vond men in de staat Oregon, in de omgeving van Kennewick, een skelet. Aanvankelijk ging men er van uit dat het skelet van recente datum was. De antropoloog James Chatters meende zelfs dat het een skelet van een kolonist was uit het begin van de negentiende eeuw. Hij baseerde zich hiervoor op wat hij omschreef als blanke gelaatstrekken, een smalle schedel, lichtbenig gezicht en een wijkend voorhoofd.
Maar toen de botten van de Kennewick Man nader onderzocht werd kwam men met een datering van 9.300 jaar op de proppen. De discussies zowel binnen als buiten academische kringen laaiden fel op, tot de Umatilla stam het skelet opeisten als zijnde één van hun voorvaderen. Er moest een rechter aan te pas komen om de indianen in het gelijk te stellen en zo ontnam hij daarmee de wetenschap de kans om nader onderzoek aan het skelet te doen. Feit blijft dat de Kennewick Man de hoge mate van anatomische variatie onderstreept die al aanwezig was bij één van de eerste Amerikanen. Een variatie die getuigt dat de eerstelingen afkomstig waren uit diverse volkeren van de Oude Wereld.
Op de afbeelding links hierboven ziet u een getekende versie van de Kennewickman. Rechts ziet u hetgeen een computer ervan maakte op basis van zijn schedelstructuur.
In 1992 kondigden Douglas Wallace en zijn collega’s van de Emory University van Atlanta de resultaten aan van hun moleculair biologisch onderzoek. Op basis van de genetische verschillen tussen de huidige bevolkingsgroepen hadden zij bepaald waar en wanneer de diversificatie van de Amerikaanse bevolking was begonnen. Voor deze studie hadden zij gebruik gemaakt van het mitochondriaal DNA (mt DNA). Het mt DNA blijft door de gehele evolutielijn van moeder op dochter onveranderd. De onderzoekers ontdekten vier verschillende evolutielijnen bij de indianen; die noemden zij voor het gemak A, B, C en D. Deze evolutielijnen werden ook aangetroffen bij Aziatische volkeren, maar niet bij Europese of Afrikaanse. Daarmee leek de instroom vanuit Azië bewezen, maar net toen men dacht het nu eindelijk allemaal in kaart gebracht te hebben kwam het Emeryteam in de tweede helft van de jaren ‘90 met een grote verassing. De laatste mitochondriën-DNA onderzoeken wezen uit dat de Amerikaanse indianen en de Europeanen verwant waren met elkaar. Wallace en zijn team ontdekten in het Grote Merengebied in Noord-Amerika een nieuw mitochondriaal geslacht. Dit geslacht noemden zij X. Hetzelfde geslacht is, in lage frequentie, aanwezig bij de oude Europese bevolking maar afwezig bij Aziatische volkeren. Aanvankelijk dacht men aan rassenvermenging tussen de indianen en de Europeanen die na Columbus kwamen maar dat bleek niet het geval.
Gegevens van zowel Wallace’s eigen lab en dat van het Antoni Torroni van de universiteit van Rome toonden aan dat er geen andere Europese geslachten aanwezig waren. Dat toont aan dat X bij de indianen aanwezig moet zijn geweest vanaf het begin. Deze conclusie werd in 1998 versterkt toen Anne Stone van de universiteit van Arizona geslacht X aantrof in het tandglazuur van mensen in een graf in Illinois. Het graf dateerde van ver voor Columbus. Dat was het ultieme bewijs dat X niet geïntroduceerd was na de formele komst van de Europeanen in Amerika.
Het moge duidelijk zijn en de vondsten liegen er niet om. Zelfs binnen de betrekkelijk veilige lijn van de geaccepteerde wetenschap blijkt dat er letterlijke duizenden jaren geleden contacten moeten zijn geweest tussen de oude en nieuwe wereld. Kennelijk zijn op de een of andere manier deze contacten met het Amerikaanse continent verbroken en vergat men zelfs dat ze bestonden.
Om te begrijpen hoe bijzonder de contacten met de nieuwe wereld waren gaan we terug naar ongeveer 600 v. Chr. De Egyptische farao Necho II was zeer geïnteresseerd om van de Rode Zee naar Alexandrië aan de Middellandse Zee te varen. Nadat zijn pogingen om een kanaal dwars door de woestijn te graven op niets uitliepen overwoog hij of het niet mogelijk was om rond de zuid kust van Afrika naar Marokko te varen. Op dat moment stonden de Egyptenaren niet bekend om hun nautische kennis en de farao moest Phoenisische zeelieden in dienst nemen. De opdracht was duidelijk: vaar vanuit de Rode Zee rond Afrika en keer via Gibraltar (destijds de poorten van Herucles) via de Middellandse Zee terug naar Egypte.
Phoeniciërs... |
 |
| ... hadden onder andere koperen munten waarop oorlogsschepen afgebeeld stonden. |
De Phoeniciërs namen de opdracht aan en begonnen aan hun tocht van 16.000 mijl. Twee jaar later was de opdracht voltooid en hadden ze rond de kaap gevaren. (De tocht duurde zolang omdat de zeelieden onderweg rustig de tijd namen om te zaaien en oogsten zodat ze van deugdelijk proviand waren voorzien) Toch werden ze met de nodige scepsis ontvangen. En hoon was hun deel toen ze volhielden dat de zon, op het moment dat ze de zuidelijkste kaap rondden, ten noorden van hen aan het zenit had gestaan. Iedereen in de oudheid wist immers dat de zon zich altijd in de zuidelijke helft van het hemelgewelf bevindt. En dat is ook zo... vanaf het noordelijk halfrond gezien. Zelfs de grote Griekse geschiedschrijver Herodotus, die hun verhaal 150 jaar later optekende, weigerde het serieus te nemen.
Niemand dacht meer aan de belevenissen van de Phoeniciërs en het zou tot 1434 duren eer de Portugese zeevaarder Gileannes zich voorbij de Kaap Bojador (ten zuiden van de Canarische Eilanden) waagde. Tot die tijd leefde onder de zeevaarders het idee dat voorbij Kaap Bojador 'de zee der duisternis lag' of 'de poort naar de hel' een gebied bevolkt door monsters, demonen en geesten van drenkelingen. Nadat Gileannes had aangetoond dat die verhalen niet klopten, werd in minder dan 70 jaar de resterende 16.000 kilometer van de West-Afrikaanse kustlijn in kaart gebracht.
Het bovenstaande verhaal geeft goed aan hoe beperkt het wereldbeeld was van de mensen rond het jaar 0. Als gewoon de kustlijn van Afrika volgen al een hachelijke onderneming was dan moet het idee van de oceaan oversteken helemaal ondenkbaar zijn geweest.
Toch zijn er zeelieden geweest die de grote oversteekt kennelijk gemaakt hebben. Zo vond toxicologe dr. Svetla Balabanova in de mummies van het Egyptisch Museum te München resten van cocaïne en nicotine. Cocaine is afkomstig van de cocaplant en nicotine van de tabaksplant, beide afkomstig uit Zuid Amerika. Natuurlijk werden haar bevindingen hevig bekritiseerd door de wetenschap. Maar toen botaniste Michelle Layer Lescot tabak ontdekte in de mummie van Farao Ramses II verstomde de kritiek al gauw. Toch werd de historie niet herzien.
Thor Heyerdahl liet in praktijk liet zien dat de oceaan oversteken met rieten bootjes geen probleem was voor de mensen in de oudheid. Echt serieus werden zijn bevindingen niet genomen. “Het feit dat je met een rieten bootje de oceaan over kan steken wil nog niet zeggen dat de ouden dat dan ook deden”, leek het voornaamste tegenargument. Inmiddels hebben andere wetenschappers dankzij DNA onderzoek laten zien dat lange zeereizen wel degelijk werden uitgevoerd. Neem bijvoorbeeld de het verhaal van de Maori’s uit Nieuw Zeeland, een zijstapje.
De Maori’s hebben zo hun eigen legende over de herkomst van hun volk. Volgens een oude mythe zijn lang geleden de eerste voorouders van de Maori’s met 7 kano’s in Nieuw Zeeland terecht gekomen. En het is pas sinds kort dat genetisch onderzoek een zeer verassend bewijs voor deze mythe heeft gevonden. Al lijkt het erop dat zowel de mannelijke als de vrouwelijke Maori beide van een compleet andere plek komen.
Adele Whyte, zelf deels Maori, gebruikte het mitochondrial DNA om vast te stellen dat de Maori's oorspronkelijk van het Aziatische vaste land kwamen.
De grote vraag was echter: vanwaar precies?
Het antwoord kwam van het gen dat verantwoordelijk is voor de afbraak van alcohol.
"Mensen van Europese afkomst hebben 2 genen die alcohol afbreken, de ene gen zet de alcohol om in gifstoffen en de andere gen heeft tot taak die gifstoffen te ontgiften en te verwijderen.
Deze 2 genen zijn bij Aziatische mensen geheel anders en gaan nogal inefficiënt om met de afbraak en verwijdering van alcohol." Aldus Dr. Geoff Chambers. Hij vond overeenkomsten tussen dit gen en dezelfde variant zoals die heden ten dage voorkomt in Taiwan. De voorlopige conclusie was dan ook dat de Maori's oorspronkelijk uit Taiwan kwamen. Of was er meer aan de hand?
Toen het team van dr. Chambers de mannelijke Y chromosomen bestudeerde kwamen ze tot een opmerkelijke conclusie. Want terwijl de afkomst van de vrouwelijke Maori's geheel Aziatisch is, komen de mannelijke Maori's uit oorspronkelijk uit Papoea Nieuw Guinea.
Adele Whyte heeft verder onderzoek gedaan aan de kant van het vrouwelijke (mitochondrial) DNA. Uit haar studie blijkt dat de huidige Maori's rond 6000 jaar geleden zijn ontstaan uit een groep van ongeveer 56 vrouwen. En daarmee lijkt de cirkel rond, een oude mythe vertelt hoe de Maori's in Nieuw Zeeland zijn aangekomen met 7 kano’s. En 7 Polynesische kano’s kunnen inderdaad grofweg 56 mensen vervoeren.De wetenschap lijkt hiermee een bevestiging van de mythe te geven.
Het verhaal gaat nu dat de dames in boten vanaf Taiwan naar het zuiden voeren om de 3000 kilometer naar Nieuw Zeeland af te leggen. Ter hoogte van Papoea Nieuw Guinea kregen ze behoefte aan gidsen en zo werden er enkele mannelijke Papoea’s aan boord genomen. (6)
6.000 jaar gelden ondernamen vrouwen uit Taiwan de 3000 kilometer lange reis naar het zuiden. Een ongelofelijke prestatie die buiten doorzettingsvermogen getuigd van nautische kennis. Buiten dat de Taiwanese dames Nieuw Zeeland aandeden zijn er ook sporen die uitwijzen dat Australië bezocht werd.
Zo ontdekte dr. Peter Savolainen dat de Australische Dingo’s afkomstig zijn van een teef uit de regio van Taiwan. Dankzij het DNA-onderzoek naar het zogenaamde mytochondrisch DNA (dit stukje wordt van moeder op dochter onveranderd overgegeven) werd duidelijk dat de gehele hedendaagse populatie Dingo’s voortkomen uit één moederhond die zo’n 5000 jaar geleden op het Australische continent arriveerde. Het DNA verraadde dat deze moederhond op haar beurt haar oorsprong ergens in de buurt van Taiwan moet hebben gehad. Maar goed, terug naar ons verhaal.
Tabak en nicotine in Egyptische mummies wijzen op pre-Columbiaanse contacten met Amerika. Maar omgekeerd werden er ook vondsten gedaan in de nieuwe wereld van zaken die uit de oude wereld afkomstig waren. Zo zijn er aan de oost en zuid-oost kust (nooit aan de west-kust) van Amerika ongeveer 40 munten gevonden. Munten van Romeinse, Griekse en Phoenisische oorsprong. Hoewel de wetenschap heel sceptisch tegenover deze vondsten staat en tegenargumenten geeft zoals “aangespoeld” of “door de Spanjaarden meegenomen” (dus ongeveer 1600 tot 1400 jaar later), heeft J. Epstein een groot deel van deze (non)argumenten kunnen weerleggen (5). Voor wie meer wilt weten over vondsten die duiden op pre-Columbiaanse contacten is deze webpagina een goed beginpunt.
Kennelijk voer men ergens tussen 5.000 en 1.200 jaar v.Chr. regelmatig van Europa naar Noord Amerika (en vice versa) en verried het X-gen nog veel oudere contacten tussen de oorspronkelijke Amerikanen en een oud Europees blank geslacht. Omstreeks 600 v. Chr. was men dat allemaal vergeten. Toen de Phoeniciërs in die periode de rondgang om Afrika maakte geloofde niemand hen meer. De geschiedschrijver Herodotus tekende weliswaar 150 jaar later het verhaal op maar verwees het gelijk naar het rijk der fabelen. Na de ronding van de Kaap door de Phoeniciers in 600 v.Chr. zou het nog 2000 jaar duren voordat de Portugese zeevaarder Gileannes hetzelfde deed.
De rest van de historie is bekend: in 1492 voer Columbus naar Amerika. Ook de Maori’s weten niets meer van de nautische kennis die hun voorouders 6.000 jaar geleden kennelijk bezaten. Zover antropologen hebben kunnen vaststellen is er niets meer terug te vinden in de Maori cultuur waaruit nautische kennis blijkt.
De wereld op zijn kop, als we de aanwijzingen mogen geloven werden grofweg 6.000 jaar geleden de oceanen aan beide zijde van deze aardbol bevaren. Zeeroutes die de voorouders van de Maori’s van Taiwan naar Nieuw Zeeland brachten, zeeroutes om Canadees/Amerikaans koper naar Noord Europa te verslepen en zeeroutes vanuit de Middellandse zee naar Zuid Amerika om tabak en cocaïne te halen. Waren het allemaal toevaltreffers? Waren het lieden die noodgedwongen de zee op waren gevlucht? In het volgende deel legen we ons oor te luisteren bij de zeer oude mythen. Mythen die erop wijzen dat er zoiets was als een mondiale gelijkluidende kennis.
(1) A Short History of Copper Mining (link)
(2) Octave J. DuTemple, Prehistory's Greatest Mystery: Copper Mines of Ancient Michigan.
(3) Koper in Europa (link)
(4) Jhr. Drs. Reinoud de Jonge en Prof. Dr. Gerard IJzerneef, De stenen spreken. Het geheimschrift van de megalieten ontcijfert, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen 1996
(5) Jeremiah F. Epstein, Pre-Columbian old World coins in America: An examination of evidence, Current Anthropology, 21.1 (1980)
(6) Time (link)
Dr Geoffrey K Chambers
Reader in Cell and Molecular Biosciences.
School of Biological Science,
Victoria University
Wellington, New Zealand
PO Box 600, Wellington, New Zealand
Ph: 64 4 463 5339
Adele Whyte
PhD Student
School of Biological Science
Victoria University
Wellington New Zealand
 |